Sonnie's kamer

In elke berg heeft de bergloper één of meerdere favoriete stekjes waar hij lekker kan zitten om even uit te rusten. Meestal zal de bergloper met andere gelijkgezinden door de berg zwerven en zal hij daarom niet alléén dat plekje uitkiezen. Men zal dus tot overeenstemming moeten komen. Doorgaans is dit geen probleem omdat de meeste berglopers het wel met elkaar eens zijn over hoe zo'n plek er uit dient te zien. Erik beschreef het elders op deze site al: min of meer besloten en (daarom) meestal aan het einde van een doodlopende gang. Vaak zal er enige zitgelegenheid zijn in de vorm van een opstapje of andere verhoging. De plek moet schoon zijn en niet al te koud. Aangezien veel verschillende berglopers deze plekjes kennen en ongeveer dezelfde eisen stellen aan deze kamers komen er dus ook veel verschillende groepjes of individuele berglopers. Vaak is dat te zien doordat zij bergtekens achterlaten, blokken mergel die als provisorische stoel dienen en eventueel als een "tafel-met-bougie" er op. De kamers hebben vaak namen: Troglofielenkamer, AlcoHol, Vossehol, 88p, Robespierre, IBL-kamer, Bankstel, Paradebar, om er maar een paar te noemen. 
Ook zijn er kamers die een meer persoonlijk karakter hebben. Kamers die niet door iedereen als kamer (h)erkend worden. Wat een dergelijke plek dan tot geschikte zitplek maakt is niet uit te leggen omdat dat immers juist heel persoonlijk is. 

Toen Zonneberg nog openstond, dus vóór 1995, liep ik zoals zo velen te pas en te onpas de berg in. Meestal samen met anderen die even maf waren maar soms ook alleen. Het was een spannende tijd omdat immers iederéén er in kon. Ook vreemde snuiters die je maar beter niet tegen het lijf kon lopen. En er waren altijd mensen, ongeacht de dag of het tijdstip. Je was er nooit alleen, tenminste, daar ging je van uit. Er gebeurde ook van alles dat het daglicht niet kon verdragen. Althans dat werd verteld en dat zal ook vast zo geweest zijn. Daarom hadden we vaste plekken in de Zonneberg waar we konden zitten om bij te komen en tevens de zaak in de gaten te houden. De gekozen plekken waren namelijk zeer strategisch gelegen zodat je, wanneer iemand rondliep, deze ook kon zien zonder zelf gezien te worden. Wanneer je daar in je eentje liep was het soms wel erg spannend. Hoor ik daar iets of is het maar verbeelding? Loopt er iemand achter mij of lijkt dat maar zo? Zie ik daar licht of... 

Na een enerverende tocht was het fijn om bij te komen op een plek waar zo snel niemand kwam. Zo'n plekje had ik gevonden aan de afgraving van de ENCI. Wanneer je door een gat langs de G-muur (zie de kaart) kroop kwam je terecht in de restanten van wat ooit de Wilde Berg was en hier was (volgens veel berglopers) niet zo heel veel te beleven. Het was er daarom vrij rustig. Eenmaal door de muur zag alles er hetzelfde uit als voor de muur. Maar wanneer je eventjes doorliep schrok je je helemaal wezenloos. Daar waar het daglicht begon huisden talloze duiven (er lagen enorme hopen duivenpoep en duivenkadavers). Als je je licht in de richting van deze duiven scheen begonnen ze te fladderen. Dus na een enerverende tocht, stilletjes door het donker zag je het daglicht van de afgraving en ineens: fladder fladder fladder. Hieraan heeft menige duif knallende hoofdpijn over gehouden want ze fladderden zonder enige coördinatie tegen de eerste mergelwand die ze tegen kwamen... Bijgekomen van de schrik kon je verder naar de afgraving. Veel gangen waren er niet die uitkwamen in de groeve. In een van de meest rechtse gangen (op de foto links) groeide een beetje gras en kon je dus even lekker liggen en op temperatuur komen. In de jaren tachtig werd er ook nog gewerkt in de groeve en dat kon je dus op het gemak bekijken. Er werden weliswaar geen gangen meer afgegraven maar men was bezig met uitdiepen en later met afwerken. 

Het meest aangenaam vond ik dit laatste stukje Wilde Berg tijdens najaars-, en winterdagen. Je kon hier droog en beschut tegen de wind zitten en het kleine beetje zon van de dag had de mergel enigszins opgewarmd. Deze gangen keken uit op het westen en kregen dus ook het laatste restje zon. Tijdens zomerdagen waren de mergelwanden flink opgewarmd door de zon en 's avonds was het er dan tot laat nog echt warm. Kortom, het was er dus wel aangenaam ook al was het koud buiten. Meestal ging ik in het meest linkse deel van deze gangen zitten (op de foto aangegeven). Daar was het nog het prettigst. 

Deze kamer heb ik toevallig nog op foto! Hier waren opstapjes en er lagen grote brokken mergel. Er was dus volop zitgelegenheid. Ik rookte in die tijd nog dus hier stak ik volkomen tevreden een sigaretje op en dronk een meegebracht blik fris of pils. In het restant van Slavante had ik eveneens favoriete plekje maar deze was toch speciaal. Hier kon ik lange tijd zitten nadenken over kleine of grote dingen van alledag of over dat ene meisje...

De ENCI heeft tot mijn grote verdriet nog een stuk van de resterende gangen weg gegraven langs de concessielijn. Hierbij zijn veel gangen alsnog verdwenen met vele boeiende opschriften die nooit meer ontdekt kunnen worden. Mijn favoriete stekje is nu dus ook weg. Afgegraven. Ik wou dat ik daar nog één keer naar toe kon. Maar helaas, ik moet het doen met mijn herinneringen en deze foto...   Sonnie

 

 

 

 

 

 

 

Ü    Terug naar de rubriek "De Kamer Van ..."