LAMBIER LE PONDEUR


NADERE BESCHOUWING OVER LOCATIE EN NAASTE OMGEVING VAN DE GROEVE


De plaatselijke topografie

Laten we voor een beter begrip van Lambier's bezoek aan de groeve in 1468 de situatie ter plaatse eens nader bekijken.
Allereerst iets over het bezoek zelf: we kunnen er van uitgaan dat de verlichting in die tijd heel bescheiden was: een olielampje of misschien een fakkel, maar geen fel licht van een petroleumvergasser zoals we die tegenwoordig bij een bezoek aan de groeve gebruiken. Evenzeer kunnen we aannemen dat Lambier niet alléén de groeve ingelopen is, maar begeleid werd door een gids die de weg in het gangenlabyrint kende. Waarschijnlijk een blokbreker die ter plaatse de mergelstenen uithakte of mogelijk een opzichter, een maître de carrière, die hij kende of ter plaatse ontmoet had.

De ingang van de groeve ligt halverwege een steile helling van het Sint Pietersbergcomplex. Op die plek stroomt de Maas al eeuwenlang direct langs de steile helling. De middeleeuwse blokbrekers die de mergelstenen uit de wanden kapten, zaagden en naar buiten vervoerden lieten ze langs de helling naar beneden glijden, waarschijnlijk rechtstreeks in daar aangemeerde schepen4. Dat zal, zeker in de zomer, een stoffige toestand hebben gegeven waarbij veel wit mergelpoeder op de bladeren van bomen en struiken neerdaalde. De groeveingang en de met mergel bedekte helling moeten vanaf de Maas en vanaf de oostelijke Maasoever als een duidelijke markering in het landschap zichtbaar zijn geweest.
Voor een goed verloop van de verschillende bedrijfsactiviteiten was er in die tijd ongetwijfeld een verbindingspad tussen de ingang van de groeve en de plek beneden waar de blokken in de schepen werden geladen.
Ook al in de middeleeuwen was er regelmatig scheepvaartverkeer op de Maas; stroomopwaarts ging dat zeilend maar ook vaak trekkend met paard (of menskracht) langs de oever, langs een zogenaamd jaagpad. Hoewel de Maas ter hoogte van de groeve dicht langs de helling stroomde mogen we veronderstellen dat zo'n jaagpad zowel aan de linker als rechteroever van de Maas liep. Via dit pad moet een ruiter of wandelaar zich gemakkelijk vanuit het zuiden richting Maastricht, of omgekeerd, hebben kunnen verplaatsen.

Boven over de berg liep al sinds de Romeinse tijd de brede verbindingsweg tussen Maastricht en Luik5 langs de toenmalig kastelen Lichtenberg en Caestert. Ook hier zullen naar verwachting paden zijn geweest vanaf deze weg naar de twee kastelen en de groeve (of groeves) halverwege de helling.

Lambier heeft dus de Caestertgroeve uit verschillende richtingen kunnen benaderen en daarbij ook nog verschillende vervoersmiddelen kunnen gebruiken. Hij kan per koets of paard uit zuidelijke richting vanuit Luik op weg zijn geweest naar het noorden, naar Maastricht en dan de oude Romeinse verbindingsweg bovenlangs hebben gebruikt. In dat geval heeft hij de groeve en de daar plaatsvindende activiteiten niet gemakkelijk kunnen opmerken. Meer waarschijnlijk is dat hij te paard langs het jaagpad reisde en dat zijn aandacht voor de activiteiten bij de groeve werd getrokken.
De mogelijkheid dat hij met een opdracht de groeve bezocht bijvoorbeeld voor het afsluiten van een contract voor de levering van mergelstenen, acht ik niet helemaal uit te sluiten, maar onwaarschijnlijk omdat hij, zoals we hebben gezien een kunstenaar was die dagelijks bezig was zijn beroep uit te oefenen. Het blijkt uit het opschrift ook niet dat hij in de groeve een bijzondere activiteit ontplooide.
Behalve over land kan Lambier ook per schip over de Maas hebben gereisd. We zullen deze optie verderop in deze uiteenzetting nader uitwerken en nu alleen vaststellen dat hij in 1468 zijn tekenmaterialen bij zich had en die meenam bij zijn bezoek aan de groeve.

fig. 10 Westelijke helling zuidkant Sint Pietersberg met kasteel Caestert en groeve-ingangen omstreeks 1830. Uit: L. Spronck, 2006. Philippe van Gulpen 1792-1862, Chroniqueur met pen en penseel.
fig. 10
Westelijke helling zuidkant Sint Pietersberg met kasteel Caestert en groeve-ingangen omstreeks 1830. Uit: L. Spronck, 2006. Philippe van Gulpen 1792-1862, Chroniqueur met pen en penseel.

Tot slot nog een opmerking over de huidige situatie. Tegenwoordig liggen de groeve-ingang en een deel van de gangen op grondgebied van het Waals gewest. Het grootste deel van de groeve ligt echter onder grondgebied van het Vlaams gewest, terwijl het deel waar zich een aantal middeleeuwse houtskooltekeningen bevindt onder Nederlands grondgebied ligt. Het handschrift van Lambier bevindt zich midden in de groeve onder Vlaams gebied.
De ligging in een drielanden grensgebied schept aanzienlijke problemen met name wat betreft de toegankelijkheid van de groeve, de zorg en het beheer van de groeve en de bescherming van de in de groeve aanwezige middeleeuwse tekeningen en het opschrift van Lambier6.

Het kasteel van Caestert

Op de rand van het plateau, boven de ingang van de groeve, lag vroeger kasteel Caestert. Uit onderzoek in de zeventiger jaren is gebleken dat op het plateau van Caestert een vroeg-romeinse walconstructie heeft gelegen5. Uit oude stukken blijkt dat twee Karolingische vorsten op een kasteel van Caestert in het jaar 869 een verdrag hebben gesloten7.
In 1126 schonk bisschop Albéron I van Luik aan de priester Bovon, die een kapel met hospitium ter ere van Maria Magdalena wilde stichten, "twee bunders grond op de berg die Castris genoemd wordt"8. De plek zal een bedevaartsoord worden.
Een paar jaar later zijn de twee bunders door schenkingen uitgegroeid tot een terrein van 31 bunders en wordt het bezit met kapel en hospitium per oorkonde door Bovon overgedragen aan het klooster Neufmoustier8. In de periode 1256 tot 1424 komen grond en gebouwen in particuliere handen. Daarmee verandert de bestemming en vervalt waarschijnlijk de bedevaartsfunctie. De kapel blijft behouden; het hospitium wordt verbouwd tot een burcht. Tweemaal wordt er een vredestraktaat ondertekend, op 14 juni 1376 en in december 1395, het laatste tussen opstandige Luikenaren en bisschop Jan van Beieren van Luik9. De burcht, misschien inmiddels kasteel, werd in die periode enkele malen belegerd en geplunderd.

fig. 11 Kasteel Caestert, volgens een tekening uit 1670
fig. 11
Kasteel Caestert, volgens een tekening uit 1670

In 1424 schenkt de eigenaar Bertrand de Liers het intussen tot 82 bunders uitgegroeide bezit middels een akte aan de abdij van St. Jacques12a 12b 12c in Luik. Hij verplicht de monniken ten eeuwigen dage voor zijn zielenrust en die van zijn vrienden en weldoeners, wekelijks in de kapel van Caestert drie missen op te dragen.

Alles tezamen vormen de 82 bunders een flink landgoed waarvan Bertrand de Liers tot zijn dood het vruchtgebruik behoudt, maar de abt van het benedictijnenklooster van St. Jacques in Luik de eigenaar is10.
In de schenkingsakte van 16 october 1424, door Debouxhtay beschreven10, worden de 82 bunders opgedeeld in drie percelen en als volgt vermeld:
- 20 bunders "entre les fossés et constitué par la maison, cour, jardin, terres et trixhes". Dit betreft het perceel met huis, tuin en binnenplaats gelegen tussen grachten of greppels op het plateau.
- 18 bunders grond gelegen aan de oevers van de Jeker.
- 44 bunders "de bois, terres, fossés et falises (roches) ... et limité par la Meuse". Dit laatste perceel zou vanwege de begrenzing door de Maas en de aanwezigheid van rotsen en bos, de hellingen vóór het kasteel kunnen betreffen maar het gebruik van het woord "fossés" door de Debouxhtay schept verwarring. Immers op een helling kunnen geen grachten liggen.

Er bestaan twee Franse woorden die veel op elkaar lijken maar verschillende betekenissen hebben: "fossé" (m) betekent gracht, sloot, greppel of kloof, terwijl "fosse" (v) onder andere kuil, groef, put, holte of mijn kan betekenen. In dit geval kan het ook de ingang van een mergelgroeve betekenen. Om misverstanden te voorkomen heb ik samen met mevr. Stéphanie Denoël van het Luikse Rijksarchief de oorspronkelijke akte bestudeerd (zie noot 2 bij 10). Daar wordt in de betreffende passage het woord "fosse" en niet "fossé" gebruikt. De conclusie lijkt gerechtvaardigd aan te nemen dat sedert 1424 de hellingen vóór het kasteel eigendom waren van de abt van het benedictijnenklooster van St. Jacques in Luik.
Silvertant meent uit een Mémoire over de jurisdictie betreffende Sint Pieter10a te kunnen opmaken dat "de helling onder Caestert en de voet van de helling tot aan de Maas bezit was van de heren van St. Martin uit Luik", hetgeen tegenstrijdig is met de hierboven vermelde schenkingsakte van 16 oktober 1424. Waarschijnlijk verwart Silvertant jurisdictie met eigendom.

We mogen aannemen dat met de hellingen ook de mergelgroeven in de helling eigendom werden van de monniken van St. Jacques. Dan is het ook aannemelijk dat na de dood van Bertrand de abdij deze mergelgroeven (de Caestertgroeve en waarschijnlijk ook nog de twee andere groeven in de helling), al of niet via verpachting, in exploitatie nam. Maar ik heb behalve de schenkingsakte geen andere stukken in het Luikse Rijksarchief kunnen inzien waaruit die exploitatie blijkt. Een nadere studie van de rekeningen van de abdij uit die tijd zou daar helderheid over kunnen verschaffen.

Na de schenking krijgt de burcht het karakter van een kasteel. Bossen en tuinen worden door de monniken als buitengoed in gebruik genomen. De landbouwgronden en bossen worden verpacht en brengen zo voor de abdij veel geld op. Volgens Coenen11 bouwen de benedictijnen van de abdij later van de pachtopbrengsten de nu nog steeds prachtige kerk van St. Jacques in Luik. Hij vermeldt tevens dat "in 't algemeen nochtans de Benedictijnen niet veel genot gehad hebben van hun schoon buitengoed". In de eeuwen daarna hebben legers en benden het kasteel vaak aangevallen, geplunderd en in brand gestoken11.

Nadat de Franse revolutionaire legers in 1794 het huidige Limburg veroverd hadden, werden alle kerkelijke bezittingen onteigend en aan particulieren verkocht. Zo verging het ook het kasteel van Caestert, sedert 1424 opnieuw uitgebreid, nu tot een domein van 92 bunder. Het werd in 1798 verkocht aan de weduwe Veugen-Lousberg uit Maastricht. Na de Franse revolutie bleef in Luik van de eens zo beroemde benedictijner abdij van St. Jacques alleen de nog steeds bijzonder fraaie kerk van St. Jacques over.
Een ijverige zoektocht naar de geschiedenis van het kasteel in de periode 1424 tot de Franse revolutie heeft geen verdere informatie opgeleverd. Een mogelijke relatie van Lambier le Pondeur met het kasteel of de monniken van St. Jacques kan ik niet aantonen.
Onwaarschijnlijk is het dat Lambier een benedictijner monnik van de St. Jacques abdij is geweest. Dan zou hij in 1468 toch wel zijn status als monnik in de tekst van het opschrift vermeld hebben.

fig. 12 Kasteel Caestert volgens een tekening omstreeks 1750
fig. 12
Kasteel Caestert volgens een tekening omstreeks 1750

Het kasteel Lichtenberg

Dit kasteel lag ruim een kilometer ten noorden van kasteel Caestert. Waarschijnlijk is de bouw begonnen onder prins-bisschop Hugo de Pierrepont in 1212. Bekend is dat de familie Van Eynatten het kasteel in de 15e en 16e eeuw liet herbouwen en uitbreiden. Er is alleen een toren overgebleven waarvan de onderbouw, uit de 13e eeuw, uit vuursteenbrokken en kolenzandsteen en de bovenbouw, laatmiddeleeuws, uit mergel is opgetrokken. Na 1640 verloor het kasteel aan militaire betekenis en in het midden van de 18e eeuw brandde het af13. Op het kasteelterrein werd later in carré een gesloten hoeve gebouwd waarin tegenwoordig het museum van de Stichting Oud Sint Pieter gehuisvest is.
Het is niet waarschijnlijk dat Lambier le Pondeur iets van doen heeft gehad met dit kasteel Lichtenberg.

fig. 13 Kasteel Lichtenberg links en klooster Slavante rechts 1740
fig. 13
Kasteel Lichtenberg links en klooster Slavante rechts 1740

Het klooster te Lichtenberg

In 1455 werd op de plek van het huidige Buitengoed Slavante een klooster gesticht van de Observanten, kloosterlingen die aan de oorspronkelijke strenge regel van Sint Franciscus vasthouden. Waarschijnlijk bestond op die plek al enige tijd een hermitage van enkele kluizenaars. De huisvesting der kloosterlingen op deze plek was uiterst primitief.
Het was en bleef behelpen met de behuizing tot in 1489 Johan Van Horne, prins-bisschop van Luik, in de bekrompen toestand verandering bracht en er een klooster werd gebouwd; "wel klein volgens de Regel van St. Franciscus, maar toch degelijk en voornaam"14.
Ook voor deze plek geldt dat Lambier le Pondeur naar alle waarschijnlijkheid noch met de kloosterlingen, noch met het in 1468 primitieve klooster zelf, een relatie heeft gehad.

fig. 14 Klooster te Lichtenberg of klooster Slavante 1740
fig. 14
Klooster te Lichtenberg of klooster Slavante 1740

Conclusies:
- Uit de ligging van de groeve valt op te maken dat Lambier bij zijn bezoek aan de groeve in 1468 waarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van een pad langs de Maas of via de rivier per boot de groeve heeft bereikt.
- De twee kastelen en het klooster in de nabijheid van de groeve hebben waarschijnlijk geen rol gespeeld in zijn bezoek.
- Uit een schenkingsakte van 1424 blijkt dat de hellingen voor het kasteel van Caestert sedert 1424 tot in de Franse tijd eigendom zijn geweest van de abdij van St. Jacques in Luik. Het lijkt logisch daaruit te concluderen dat met de helling ook de mergelgroeven in de helling gedurende die periode eigendom waren van de abdij. De opbrengsten van de mergelwinning zullen in dat geval ten goede zijn gekomen aan de abdij van St. Jacques.

Þ  volgende
Ü   terug
Þ   snelkeuzemenu
Ü
   terug naar de rubriek "artikelen"